server-up/docs/apps-maken.md
Ramon bc55252267
All checks were successful
Deploy server-up (dev) / deploy (push) Successful in 1m34s
v0.7.70-beta - invulmenu bij installeren, geheimen naar .env
Invulmenu:
- Vaste stappen (Basis, Verbinden, Instellingen, Toegang, Controleren) in
  plaats van één lange lijst. Eén stap per groep werkt niet: de mediane app
  heeft één groep, arr-stack eenentwintig. Lege stappen worden overgeslagen.
- Volgende controleert de verplichte velden van die stap; die melding kwam
  eerder pas bij het installeren.
- Geavanceerde opties achter één schakelaar die op elke stap zichtbaar is,
  plus 'Alles op één pagina' voor het oude gedrag. Beide onthouden.

Geheimen naar .env:
- compose_transform.geheimen_naar_env() vervangt geheime waarden door
  ${NAAM} en schrijft ze naar .env met rechten 0600. Werkt ook midden in
  een database-URL. Poorten en paden blijven leesbaar in compose.
- .serverup.json bevat geen geheimen meer en krijgt ook 0600; daar stonden
  ze wereldleesbaar in. Het herconfiguratieformulier leest ze terug uit
  .env via een bewaarde veld-naar-sleutel-koppeling.
- docs/beveiliging.md legt uit wat dit niet oplost: docker inspect toont de
  waarde nog steeds.

Bewerken:
- Laatste stap toont het gerenderde resultaat met jouw waarden en is
  bewerkbaar; compose_override/env_override gaan mee bij het installeren.
  Ongeldige YAML wordt geweigerd voordat er een map bestaat.
- De bestaande editor heeft tabbladen (compose/.env) en biedt herstarten na
  opslaan. De .env-PUT weigert een regel zonder '=' en logt in audit.

Inloggegevens:
- /api/stacks/<n>/credentials plus paneel op de stackkaart: adres,
  gebruikersnaam, wachtwoord achter een oog-knop, kopieerknop. Alleen voor
  beheerders, elk bekijken komt in het auditlog.
- Nieuw 'credential'-kenmerk in template.json met naamherkenning als
  terugval, zodat de bestaande 96 sjablonen meteen werken.

Herstel van een regressie uit v0.7.60: acht inlogwachtwoorden hadden hun
genereerknop verloren toen die aan 'generate' werd gehangen. Terug, behalve
waar een verzonnen waarde fout is (WireGuard-sleutel, externe tokens).

De menulogica wordt getest door de echte component uit index.html in Node uit
te voeren; slaat zichzelf over waar node ontbreekt. 2295 tests groen.

Co-Authored-By: Claude Opus 5 <noreply@anthropic.com>
Claude-Session: https://claude.ai/code/session_01C7oLCRYzY5ixJ5Sv8Y8EFb
2026-07-28 21:31:51 +02:00

369 lines
12 KiB
Markdown

# Eigen apps toevoegen
Een app in Server Up is een map met twee dingen: `template.json` beschrijft wat
de app is en welke vragen je bij het installeren krijgt, en `files/compose.yaml`
is het compose-bestand met plaatshouders erin.
```
apps/mijn-app/
├── template.json
└── files/
└── compose.yaml
```
Zet die map in `apps/`, of in je eigen git-repo die je toevoegt bij
**Instellingen → App Store → Repository**.
---
## Het kortste voorbeeld dat werkt
**`template.json`**
```json
{
"kind": "compose",
"metadata": {
"name": "Mijn App",
"description": "Wat de app doet, in één zin.",
"tags": ["voorbeeld"],
"categories": ["productiviteit"],
"icon": {"provider": "selfhst", "id": "mijn-app"},
"version": {"name": "latest"}
},
"variables": [
{
"title": "Algemeen",
"items": [
{"name": "service_name", "type": "str", "title": "Servicenaam",
"default": "mijn-app", "required": true},
{"name": "port", "type": "int", "title": "Web poort",
"default": 8200, "required": true},
{"name": "data_dir", "type": "str", "title": "Data directory",
"default": "/opt/serverup/appdata", "required": true},
{"name": "timezone", "type": "str", "title": "Tijdzone",
"default": "Europe/Amsterdam", "required": true}
]
}
]
}
```
**`files/compose.yaml`**
```yaml
services:
<< service_name >>:
image: voorbeeld/mijn-app:latest
container_name: << service_name >>
ports:
- "<< port >>:8080"
environment:
- TZ=<< timezone >>
volumes:
- << data_dir >>/<< service_name >>/config:/config
restart: unless-stopped
```
Dat is genoeg. De rest van dit document beschrijft wat je er nog meer mee kunt.
---
## Compose-syntaxis
De sjablonen gebruiken Jinja met afwijkende haakjes, zodat ze niet botsen met
de `${VAR}` van docker compose zelf:
| | |
|---|---|
| `<< variabele >>` | waarde invullen |
| `<%- if variabele %>``<%- endif %>` | blok alleen opnemen als de waarde waar is |
| `<< waarde \| lower >>` | filters van Jinja werken gewoon |
Het renderen gebeurt in een sandbox: je kunt niet bij Python-internals.
### Named volumes moeten gedeclareerd worden
Gebruik je een named volume, zet het dan óók in het top-level `volumes:`-blok.
Vergeet je dat, dan weigert docker compose met *"refers to undefined volume"*:
```yaml
services:
<< service_name >>-db:
image: postgres:16-alpine
volumes:
- << service_name >>_pgdata:/var/lib/postgresql/data
volumes:
<< service_name >>_pgdata:
```
De testsuite controleert dit voor elke app.
---
## Metadata
| Veld | Betekenis |
|---|---|
| `name` | Naam zoals getoond in de catalogus |
| `description` | Eén zin: wat is het, en waarvoor gebruik je het |
| `tags` | Vrije trefwoorden, gebruikt voor zoeken en filteren |
| `categories` | Eén of meer categorie-ids (zie onder). Ontbreken ze, dan worden ze afgeleid uit de tags |
| `icon` | `{"provider": "selfhst", "id": "…"}` of `dashboard-icons`. Bestaat het icoon niet, dan valt de interface terug op een emoji |
| `version` | Alleen ter informatie in de catalogus |
### Categorieën
Een app mag in meerdere categorieën zitten. De ids:
`media` · `fotos` · `downloaden` · `domotica` · `3d-printen` · `netwerk` ·
`beveiliging` · `opslag` · `documenten` · `productiviteit` · `communicatie` ·
`financien` · `gezin` · `monitoring` · `ontwikkeling` · `ai` · `beheer` ·
`overig`
Elke categorie heeft een vaste kleur die overal in de interface terugkomt. De
definities staan in `server-up/core/categories.py`.
---
## Velden
Elk item onder `items` wordt één vraag in het installatieformulier.
```json
{
"name": "port",
"type": "int",
"title": "Web poort",
"default": 8200,
"required": true,
"description": "Korte tekst onder het veld",
"help": "Langere uitleg, zichtbaar achter het info-icoon",
"advanced": false,
"config": {"placeholder": "bv. 8200", "options": ["a", "b"]}
}
```
| Type | Wordt |
|---|---|
| `str` | tekstveld |
| `int` | getalveld |
| `bool` | aanvinkvakje |
| `enum` | keuzelijst, met de waarden uit `config.options` |
### Vaste namen
Deze namen worden speciaal behandeld:
- **`service_name`** — verplicht. Wordt de containernaam en het voorvoegsel van
alles in de stack. Wordt automatisch gevuld met de instantienaam.
- **Velden met `port` in de naam en type `int`** — krijgen bij het installeren
automatisch een vrij poortnummer voorgesteld als de standaard al bezet is.
- **Velden met `token`, `password`, `secret`, `wachtwoord`, `jwt` of `key` in de
naam** — worden als geheim behandeld: de waarde wordt gemaskeerd in het
installatielog en het veld krijgt een eigen weergave. Je kunt het ook
afdwingen met `"secret": true`.
### Waarden laten genereren
Voor een databasewachtwoord of een JWT-sleutel heeft de gebruiker geen zinnige
keuze; die moet gewoon willekeurig zijn. Zet daarvoor `generate`:
```json
{"name": "db_password", "type": "str", "title": "Databasewachtwoord",
"default": "", "required": true, "generate": "auto"}
```
| Waarde | Wat er gebeurt |
|---|---|
| `"auto"` | Het veld wordt bij het openen van het formulier gevuld met 32 willekeurige tekens. Voor waarden die de gebruiker nooit hoeft te kennen. |
| `true` | Alleen een knop naast het veld. Voor wachtwoorden waarmee de gebruiker zélf inlogt: die moet hij noteren, dus vul ze niet ongevraagd in. |
| weglaten | Geen knop. Voor waarden met een eigen formaat of herkomst — een bcrypt-hash, een token uit een andere app, een sleutel die bij iets anders moet passen. Iets verzonnens is daar juist fout. |
> **Zet nooit een wachtwoord als `default`.** Dan krijgt iedereen die de app
> installeert hetzelfde, en de meesten klikken erdoorheen. Een test weigert
> sjablonen met een vaste waarde op een geheim veld.
### In welke stap komt een veld?
Het installatieformulier is een invulmenu met vaste stappen. Server Up leidt af
waar een veld hoort, en meestal klopt dat:
| Stap | Wat er terechtkomt |
|---|---|
| **Basis** | `service_name`, poortvelden (type `int` met `port` in de naam), `data_dir`, `timezone`, `puid`/`pgid` |
| **Verbinden** | velden met `connect` |
| **Toegang** | alles wat als geheim geldt, plus gebruikersnamen en e-mailadressen |
| **Instellingen** | de rest |
Klopt dat voor jouw veld niet, zet het dan zelf:
```json
{"name": "retention", "type": "str", "title": "Bewaartermijn", "step": "basis"}
```
Geldige waarden: `basis`, `verbinden`, `instellingen`, `geheimen`. Een onbekende
waarde valt terug op `instellingen`.
### Inloggegevens
Velden met `credential` komen terug in het paneel **Inloggegevens** op de
stackkaart, zodat iemand na de installatie kan opzoeken waarmee hij moet
inloggen — handig bij een gegenereerd wachtwoord.
```json
{"name": "admin_user", "type": "str", "title": "Gebruikersnaam",
"default": "admin", "credential": "username"}
```
Meestal hoef je dit niet te zetten: een veld met `user`, `login` of `email` in de
naam geldt als `username`, en een geheim veld met `password` erin als `password`.
Tokens en sleutels tellen bewust níét mee — daar log je niet mee in.
### Verplichte velden
`"required": true` wordt afgedwongen: een lege waarde levert een foutmelding op
in plaats van een container die niet start of met een leeg geheim draait. Zit
het veld achter een groepsschakelaar die uitstaat, dan telt het niet mee.
### Geavanceerde velden
`"advanced": true` zet een veld achter het uitklapblok *Geavanceerde opties*.
Bedoeld voor wat je meestal met rust laat: database-wachtwoorden, PUID/PGID,
USB-paden, bewaartermijnen. Zet niet álles op geavanceerd — een test controleert
dat er per app zichtbare velden overblijven.
Je kunt het ook op een hele groep zetten: `{"title": "…", "advanced": true, …}`.
### Uitleg
`description` staat als kleine tekst onder het veld. `help` is de langere uitleg
achter het info-icoon; ontbreekt die, dan wordt `description` getoond. Gebruik
`help` voor dingen die een gebruiker echt moet weten:
```json
{
"name": "downloads_dir",
"type": "str",
"title": "Downloadmap",
"default": "/mnt/downloads",
"help": "Zet deze map op hetzelfde bestandssysteem als je mediamap. Staan ze op verschillende volumes, dan kopieert elke voltooide download in plaats van te verplaatsen."
}
```
### Velden afhankelijk maken
`needs` verbergt een veld tot een ander veld een bepaalde waarde heeft:
```json
{"name": "smtp_host", "type": "str", "title": "SMTP-server",
"needs": ["mail_enabled == true"]}
```
---
## Apps aan elkaar koppelen
Verwijst een veld naar een andere app, zet er dan `connect` op. De interface
toont dan een keuzelijst met wat er al geïnstalleerd is, in plaats van een leeg
tekstveld:
```json
{
"name": "mqtt_server",
"type": "str",
"title": "MQTT-server",
"default": "mqtt://mosquitto:1883",
"connect": {"app": "mosquitto", "scheme": "mqtt", "port": 1883},
"help": "Heb je de Mosquitto-app geïnstalleerd, kies die dan hier."
}
```
| Sleutel | Betekenis |
|---|---|
| `app` | De mapnaam van de app waarnaar verwezen wordt (`apps/mosquitto`) |
| `scheme` | Wat voor het adres komt: `http`, `mqtt`, … |
| `port` | Poort binnen het gedeelde netwerk (de interne poort, niet die op de host) |
| `path` | Optioneel pad achter het adres |
Dat levert bijvoorbeeld `mqtt://mosquitto:1883` op. Staat de app er nog niet, dan
meldt het veld dat en kun je alsnog handmatig invullen.
**Let op de poort:** dit gaat over de poort *binnen* de container, niet de poort
die op de host gepubliceerd is. De stacks zitten samen op een gedeeld netwerk en
bereiken elkaar op containernaam.
---
## Onderdelen optioneel maken
Voor stacks met meerdere componenten kun je per groep een schakelaar zetten:
```json
{
"title": "Bazarr — ondertitels",
"toggle": "enable_bazarr",
"toggle_default": true,
"description": "Haalt automatisch ondertitels op",
"items": [
{"name": "port_bazarr", "type": "int", "title": "Poort", "default": 6767}
]
}
```
In het compose-bestand gebruik je die schakelaar als voorwaarde:
```yaml
<%- if enable_bazarr %>
<< service_name >>-bazarr:
image: lscr.io/linuxserver/bazarr:latest
ports:
- "<< port_bazarr >>:6767"
<%- endif %>
```
`toggle_default` bepaalt of het onderdeel standaard aan staat. Zonder die sleutel
staat hij aan.
De ARR-stack (`apps/arr-stack`) gebruikt dit voor twintig onderdelen en is het
beste voorbeeld om van af te kijken.
---
## Waar je op moet letten
**Poorten.** Kies een standaardpoort die nog niet door een andere app gebruikt
wordt. De testsuite controleert dat, en meldt welke botsen. Alternatieven voor
dezelfde taak (twee reverse proxies, twee DNS-blokkers) mogen wel dezelfde poort
delen; die staan in een allowlist in `tests/test_apps.py`.
**`network_mode`.** Heeft een service `network_mode: host` of
`network_mode: service:…`, dan kan hij niet aan het gedeelde netwerk hangen.
Server Up slaat die services over, dus het werkt — maar zo'n app kan andere apps
niet op naam bereiken.
**Images.** Gebruik een image waarvan je zeker weet dat hij bestaat en welke
architecturen hij ondersteunt. De testsuite controleert wel de vorm van je
compose, maar haalt geen images op.
---
## Testen
Elke app in `apps/` wordt automatisch meegenomen in de testsuite:
```bash
python -m pytest tests/test_apps.py -q
```
Gecontroleerd wordt: geldige metadata, renderen naar geldige YAML, elke service
heeft een `image` of `build`, named volumes zijn gedeclareerd, geen onvervangen
`<< variabelen >>`, geen onbedoeld dubbele poorten, geldige categorieën, en dat
`network_mode` niet botst met het gedeelde netwerk.
Wil je alleen jouw app zien:
```bash
python -m pytest tests/test_apps.py -q -k mijn-app
```