server-up/docs/apps-maken.md
Ramon 58d9be1f48
All checks were successful
Deploy server-up (dev) / deploy (push) Successful in 2m1s
v0.7.90-beta - ARR-stack opgesplitst, /data-mount, netwerkopties per container
- Elk *arr-onderdeel is nu ook een losse app in de store (46 nieuwe sjablonen);
  los en gebundeld komen uit één bron (tools/arr_sjablonen.py) met een test die
  bewaakt dat ze niet uiteen lopen
- Alles deelt één /data-map, zodat hardlinks werken; losse /tv-, /movies- en
  /downloads-mounts zijn eruit, UMASK=002 erbij
- Nieuwe eerste stap "Onderdelen" in het invulmenu, met kopjes per soort; de
  dubbele groepsschakelaar en de lege kaarten in Instellingen zijn weg
- Eigen IP-adres per container in plaats van per stack; containers zonder adres
  houden hun poortmapping. Ook Pangolin publiceert nu per container
- Huntarr vervangen door NeutArr (project offline na lekken, image bestaat niet
  meer), Maintainerr naar zijn nieuwe organisatie
- 31 apps toegevoegd uit het *arr-ecosysteem, alle images tegen hun registry
  gecontroleerd
- data_dir hernoemd naar appdata_dir in de hele catalogus, naast de nieuwe
  data_root; qBittorrent van poort 8080 naar 8097

Co-Authored-By: Claude Opus 5 <noreply@anthropic.com>
Claude-Session: https://claude.ai/code/session_01Q9eqpADJSRs49SoGGr4NAy
2026-07-31 22:21:04 +02:00

393 lines
13 KiB
Markdown

# Eigen apps toevoegen
Een app in Server Up is een map met twee dingen: `template.json` beschrijft wat
de app is en welke vragen je bij het installeren krijgt, en `files/compose.yaml`
is het compose-bestand met plaatshouders erin.
```
apps/mijn-app/
├── template.json
└── files/
└── compose.yaml
```
Zet die map in `apps/`, of in je eigen git-repo die je toevoegt bij
**Instellingen → App Store → Repository**.
---
## Het kortste voorbeeld dat werkt
**`template.json`**
```json
{
"kind": "compose",
"metadata": {
"name": "Mijn App",
"description": "Wat de app doet, in één zin.",
"tags": ["voorbeeld"],
"categories": ["productiviteit"],
"icon": {"provider": "selfhst", "id": "mijn-app"},
"version": {"name": "latest"}
},
"variables": [
{
"title": "Algemeen",
"items": [
{"name": "service_name", "type": "str", "title": "Servicenaam",
"default": "mijn-app", "required": true},
{"name": "port", "type": "int", "title": "Web poort",
"default": 8200, "required": true},
{"name": "appdata_dir", "type": "str", "title": "Appdata-map",
"default": "/opt/serverup/appdata", "required": true},
{"name": "timezone", "type": "str", "title": "Tijdzone",
"default": "Europe/Amsterdam", "required": true}
]
}
]
}
```
**`files/compose.yaml`**
```yaml
services:
<< service_name >>:
image: voorbeeld/mijn-app:latest
container_name: << service_name >>
ports:
- "<< port >>:8080"
environment:
- TZ=<< timezone >>
volumes:
- << appdata_dir >>/<< service_name >>:/config
restart: unless-stopped
```
Dat is genoeg. De rest van dit document beschrijft wat je er nog meer mee kunt.
---
## Compose-syntaxis
De sjablonen gebruiken Jinja met afwijkende haakjes, zodat ze niet botsen met
de `${VAR}` van docker compose zelf:
| | |
|---|---|
| `<< variabele >>` | waarde invullen |
| `<%- if variabele %>``<%- endif %>` | blok alleen opnemen als de waarde waar is |
| `<< waarde \| lower >>` | filters van Jinja werken gewoon |
Het renderen gebeurt in een sandbox: je kunt niet bij Python-internals.
### Named volumes moeten gedeclareerd worden
Gebruik je een named volume, zet het dan óók in het top-level `volumes:`-blok.
Vergeet je dat, dan weigert docker compose met *"refers to undefined volume"*:
```yaml
services:
<< service_name >>-db:
image: postgres:16-alpine
volumes:
- << service_name >>_pgdata:/var/lib/postgresql/data
volumes:
<< service_name >>_pgdata:
```
De testsuite controleert dit voor elke app.
---
## Metadata
| Veld | Betekenis |
|---|---|
| `name` | Naam zoals getoond in de catalogus |
| `description` | Eén zin: wat is het, en waarvoor gebruik je het |
| `tags` | Vrije trefwoorden, gebruikt voor zoeken en filteren |
| `categories` | Eén of meer categorie-ids (zie onder). Ontbreken ze, dan worden ze afgeleid uit de tags |
| `icon` | `{"provider": "selfhst", "id": "…"}` of `dashboard-icons`. Bestaat het icoon niet, dan valt de interface terug op een emoji |
| `version` | Alleen ter informatie in de catalogus |
### Categorieën
Een app mag in meerdere categorieën zitten. De ids:
`media` · `fotos` · `downloaden` · `domotica` · `3d-printen` · `netwerk` ·
`beveiliging` · `opslag` · `documenten` · `productiviteit` · `communicatie` ·
`financien` · `gezin` · `monitoring` · `ontwikkeling` · `ai` · `beheer` ·
`overig`
Elke categorie heeft een vaste kleur die overal in de interface terugkomt. De
definities staan in `server-up/core/categories.py`.
---
## Velden
Elk item onder `items` wordt één vraag in het installatieformulier.
```json
{
"name": "port",
"type": "int",
"title": "Web poort",
"default": 8200,
"required": true,
"description": "Korte tekst onder het veld",
"help": "Langere uitleg, zichtbaar achter het info-icoon",
"advanced": false,
"config": {"placeholder": "bv. 8200", "options": ["a", "b"]}
}
```
| Type | Wordt |
|---|---|
| `str` | tekstveld |
| `int` | getalveld |
| `bool` | aanvinkvakje |
| `enum` | keuzelijst, met de waarden uit `config.options` |
### Vaste namen
Deze namen worden speciaal behandeld:
- **`service_name`** — verplicht. Wordt de containernaam en het voorvoegsel van
alles in de stack. Wordt automatisch gevuld met de instantienaam.
- **Velden met `port` in de naam en type `int`** — krijgen bij het installeren
automatisch een vrij poortnummer voorgesteld als de standaard al bezet is.
- **Velden met `token`, `password`, `secret`, `wachtwoord`, `jwt` of `key` in de
naam** — worden als geheim behandeld: de waarde wordt gemaskeerd in het
installatielog en het veld krijgt een eigen weergave. Je kunt het ook
afdwingen met `"secret": true`.
### Waarden laten genereren
Voor een databasewachtwoord of een JWT-sleutel heeft de gebruiker geen zinnige
keuze; die moet gewoon willekeurig zijn. Zet daarvoor `generate`:
```json
{"name": "db_password", "type": "str", "title": "Databasewachtwoord",
"default": "", "required": true, "generate": "auto"}
```
| Waarde | Wat er gebeurt |
|---|---|
| `"auto"` | Het veld wordt bij het openen van het formulier gevuld met 32 willekeurige tekens. Voor waarden die de gebruiker nooit hoeft te kennen. |
| `true` | Alleen een knop naast het veld. Voor wachtwoorden waarmee de gebruiker zélf inlogt: die moet hij noteren, dus vul ze niet ongevraagd in. |
| weglaten | Geen knop. Voor waarden met een eigen formaat of herkomst — een bcrypt-hash, een token uit een andere app, een sleutel die bij iets anders moet passen. Iets verzonnens is daar juist fout. |
> **Zet nooit een wachtwoord als `default`.** Dan krijgt iedereen die de app
> installeert hetzelfde, en de meesten klikken erdoorheen. Een test weigert
> sjablonen met een vaste waarde op een geheim veld.
### In welke stap komt een veld?
Het installatieformulier is een invulmenu met vaste stappen. Server Up leidt af
waar een veld hoort, en meestal klopt dat:
| Stap | Wat er terechtkomt |
|---|---|
| **Basis** | `service_name`, poortvelden (type `int` met `port` in de naam), `appdata_dir`, `data_root`, `timezone`, `puid`/`pgid` |
| **Verbinden** | velden met `connect` |
| **Toegang** | alles wat als geheim geldt, plus gebruikersnamen en e-mailadressen |
| **Instellingen** | de rest |
Klopt dat voor jouw veld niet, zet het dan zelf:
```json
{"name": "retention", "type": "str", "title": "Bewaartermijn", "step": "basis"}
```
Geldige waarden: `basis`, `verbinden`, `instellingen`, `geheimen`. Een onbekende
waarde valt terug op `instellingen`.
### Inloggegevens
Velden met `credential` komen terug in het paneel **Inloggegevens** op de
stackkaart, zodat iemand na de installatie kan opzoeken waarmee hij moet
inloggen — handig bij een gegenereerd wachtwoord.
```json
{"name": "admin_user", "type": "str", "title": "Gebruikersnaam",
"default": "admin", "credential": "username"}
```
Meestal hoef je dit niet te zetten: een veld met `user`, `login` of `email` in de
naam geldt als `username`, en een geheim veld met `password` erin als `password`.
Tokens en sleutels tellen bewust níét mee — daar log je niet mee in.
### Verplichte velden
`"required": true` wordt afgedwongen: een lege waarde levert een foutmelding op
in plaats van een container die niet start of met een leeg geheim draait. Zit
het veld achter een groepsschakelaar die uitstaat, dan telt het niet mee.
### Geavanceerde velden
`"advanced": true` zet een veld achter het uitklapblok *Geavanceerde opties*.
Bedoeld voor wat je meestal met rust laat: database-wachtwoorden, PUID/PGID,
USB-paden, bewaartermijnen. Zet niet álles op geavanceerd — een test controleert
dat er per app zichtbare velden overblijven.
Je kunt het ook op een hele groep zetten: `{"title": "…", "advanced": true, …}`.
### Uitleg
`description` staat als kleine tekst onder het veld. `help` is de langere uitleg
achter het info-icoon; ontbreekt die, dan wordt `description` getoond. Gebruik
`help` voor dingen die een gebruiker echt moet weten:
```json
{
"name": "downloads_dir",
"type": "str",
"title": "Downloadmap",
"default": "/mnt/downloads",
"help": "Zet deze map op hetzelfde bestandssysteem als je mediamap. Staan ze op verschillende volumes, dan kopieert elke voltooide download in plaats van te verplaatsen."
}
```
### Velden afhankelijk maken
`needs` verbergt een veld tot een ander veld een bepaalde waarde heeft:
```json
{"name": "smtp_host", "type": "str", "title": "SMTP-server",
"needs": ["mail_enabled == true"]}
```
---
## Apps aan elkaar koppelen
Verwijst een veld naar een andere app, zet er dan `connect` op. De interface
toont dan een keuzelijst met wat er al geïnstalleerd is, in plaats van een leeg
tekstveld:
```json
{
"name": "mqtt_server",
"type": "str",
"title": "MQTT-server",
"default": "mqtt://mosquitto:1883",
"connect": {"app": "mosquitto", "scheme": "mqtt", "port": 1883},
"help": "Heb je de Mosquitto-app geïnstalleerd, kies die dan hier."
}
```
| Sleutel | Betekenis |
|---|---|
| `app` | De mapnaam van de app waarnaar verwezen wordt (`apps/mosquitto`) |
| `scheme` | Wat voor het adres komt: `http`, `mqtt`, … |
| `port` | Poort binnen het gedeelde netwerk (de interne poort, niet die op de host) |
| `path` | Optioneel pad achter het adres |
Dat levert bijvoorbeeld `mqtt://mosquitto:1883` op. Staat de app er nog niet, dan
meldt het veld dat en kun je alsnog handmatig invullen.
**Let op de poort:** dit gaat over de poort *binnen* de container, niet de poort
die op de host gepubliceerd is. De stacks zitten samen op een gedeeld netwerk en
bereiken elkaar op containernaam.
---
## Onderdelen optioneel maken
Voor stacks met meerdere componenten kun je per groep een schakelaar zetten:
```json
{
"title": "Bazarr",
"section": "Ondertitels en verwerking",
"toggle": "enable_bazarr",
"toggle_default": true,
"description": "Haalt automatisch ondertitels op",
"items": [
{"name": "port_bazarr", "type": "int", "title": "Poort", "default": 6767,
"advanced": true, "step": "instellingen"}
]
}
```
In het compose-bestand gebruik je die schakelaar als voorwaarde:
```yaml
<%- if enable_bazarr %>
<< service_name >>-bazarr:
image: lscr.io/linuxserver/bazarr:latest
ports:
- "<< port_bazarr >>:6767"
<%- endif %>
```
`toggle_default` bepaalt of het onderdeel standaard aan staat. Zonder die sleutel
staat hij aan.
**Vanaf twee schakelbare groepen krijgt het kiezen een eigen eerste stap.** Alle
schakelaars staan dan bij elkaar in *Onderdelen*, en `section` bepaalt onder welk
kopje ze daar terechtkomen — bij vijftig onderdelen is dat het verschil tussen
een overzicht en een lijst waar je in verdwaalt. Bij één schakelbare groep blijft
de schakelaar gewoon bij zijn eigen velden staan.
De velden van een onderdeel zet je op `"step": "instellingen"` en meestal ook op
`"advanced": true`: de poorten kloppen al, en ze horen niet in het eerste scherm
te staan als je door vijftig onderdelen loopt. De schakelaar zélf wordt nooit
geavanceerd — dat is juist wat je eerst kiest. Wil je een héél onderdeel achter
het uitklapblok, gebruik dan `toggle_advanced`.
De ARR-stack (`apps/arr-stack`) gebruikt dit voor negenenveertig onderdelen en is
het beste voorbeeld om van af te kijken. Let op: die wordt gegenereerd — pas
`tools/arr_sjablonen.py` aan en draai dat script, anders draait
`tests/test_arr_sjablonen.py` je wijziging terug.
---
## Waar je op moet letten
**Poorten.** Kies een standaardpoort die nog niet door een andere app gebruikt
wordt. De testsuite controleert dat, en meldt welke botsen. Alternatieven voor
dezelfde taak (twee reverse proxies, twee DNS-blokkers) mogen wel dezelfde poort
delen; die staan in een allowlist in `tests/test_apps.py`. Een onderdeel van de
ARR-stack mag dezelfde poort hebben als zijn losse sjabloon — dat is dezelfde
container, alleen anders verpakt.
**De appdata-map heet `appdata_dir`, de gedeelde datamap `data_root`.** De eerste
is de plek waar déze app zijn instellingen bewaart (`/config`), de tweede is de
gedeelde berg met media en downloads die als `/data` in elke container komt. Zit
je app aan dezelfde bibliotheek als de *arr-apps, gebruik dan `data_root` — en
géén losse `/downloads`- of `/tv`-mount, want daarmee sneuvelen hardlinks.
**`network_mode`.** Heeft een service `network_mode: host` of
`network_mode: service:…`, dan kan hij niet aan het gedeelde netwerk hangen.
Server Up slaat die services over, dus het werkt — maar zo'n app kan andere apps
niet op naam bereiken.
**Images.** Gebruik een image waarvan je zeker weet dat hij bestaat en welke
architecturen hij ondersteunt. De testsuite controleert wel de vorm van je
compose, maar haalt geen images op.
---
## Testen
Elke app in `apps/` wordt automatisch meegenomen in de testsuite:
```bash
python -m pytest tests/test_apps.py -q
```
Gecontroleerd wordt: geldige metadata, renderen naar geldige YAML, elke service
heeft een `image` of `build`, named volumes zijn gedeclareerd, geen onvervangen
`<< variabelen >>`, geen onbedoeld dubbele poorten, geldige categorieën, en dat
`network_mode` niet botst met het gedeelde netwerk.
Wil je alleen jouw app zien:
```bash
python -m pytest tests/test_apps.py -q -k mijn-app
```